DAVID HOCKNEY – 23 FEBRUARI 2019 Volkskrant magazine

Wat stelt u zich voor van de ‘duurste levende kunstenaar’ van de wereld, pardon, het heelal? Verslaggever John Schoorl at voorafgaand aan zijn tentoonstelling in Amsterdam een hamburger met kunstenaar David Hockney en volgde hem (en zijn entourage) naar een galerie in Los Angeles.

Van dit artikel is een speciale online versie gemaakt met meer beeld. Klik hier om deze te bekijken.

David Hockney zet zijn tanden in een Double Smash Burger met gekarameliseerde uien en gerookte cheddar. Zijn twee gehoorapparaten heeft hij naast zijn bord gelegd, op zijn schoot ligt een zorgvuldig gevouwen servet.

Het is 81 dagen nadat hij de duurste levende kunstenaar van het heelal werd met de veiling van een van zijn zwembadschilderijen, en hij zet zijn ronde, gele bril recht op de neus. Het is in zijn woorden fucking noisy in café-restaurant The Rose in Venice Beach, zijn doofheid brengt alle omgevingsgeluid terug tot a kind of blur, een vage bedoening.

Hij is hier omringd door een deel van de harde kern van The Circus, zoals zijn entourage wordt genoemd, vrienden die hij al dertig, veertig jaar kent, soms ex-geliefden die blijven hangen. Ze vormen een onzichtbare kring om Hockney, scharrelen rond in zijn huis, zorgen voor hem, houden hem gezelschap.

Spottend neemt het gezelschap plenair de gezondheidsgekte van Californië door – altijd weer slaaa!, de voor David te luide kutmuziek die uit de boxen komt, de geldgeilheid in de commerciële kunstwereld, om toch weer euforisch te landen bij de obsessieve aandrang van die westkust-piepeltjes om een coach in te huren om gezond te leven.

Wealthcoach! Wealthcoach!

Hockney pakt de draad weer op, de burger is afgelegd, en doet zijn gehoorapparaten in. ‘Ik ben nog nooit in mijn leven in een gym geweest, en dat hou ik zo’, zegt hij, en er wordt instemmend gegrinnikt. Zijn vrienden weten dat er nu een schoffering op handen is van alle humorloze betweters. ‘Twintig jaar geleden adviseerde de dokter me om te stoppen met drinken. ‘Oké’, zei ik. ‘Daar stem ik mee in. Maar dan blijf ik wel roken.’ So, dat is wat ik doe, roken, en ik geniet van elke peuk, elke dag, elk moment. Als mensen naar buiten gaan om te roken, rook ik binnen. Al die bazige lui die weten dat ik dat niet moet doen, die mean spirits, die mensen aan een touwtje willen hebben, fuck off.’

Even is het stil, alsof hij een witregel laat vallen, kijkt me als zijn buurman aan tafel indringend aan, en daar gaat hij, in lijzig uitgesproken, gebeeldhouwde zinnen.

Give me a doctor partridge-plump,

Short in the leg and broad in the rump,

An endomorph with gentle hands

Who’ll never make absurd demands

That I abandon all my vices

Nor pull a long face in a crisis,

But with a twinkle in his eye

Will tell me that I have to die.